Ze sliepen in hetzelfde bed. Hun leven speelde zich ergens anders af.
Over ouderschap, afstand in je relatie en elkaar terugvinden tussen alles wat doorgaat
Ze hadden twee jonge kinderen, allebei werk en een huishouden waarin iedere week opnieuw een kleine logistieke operatie werd uitgevoerd. Wie brengt woensdag? Wie haalt donderdag? Is die gymtas al mee? Wie kan thuisblijven als er een kind ziek wordt? En wie heeft eigenlijk bedacht dat er morgenochtend iets mee naar school moet wat je alleen nog bij die ene winkel kunt kopen?
Ze waren er behoorlijk goed in geworden. Hun gezin draaide, de kinderen werden verzorgd en meestal kwam iedereen ongeveer op de juiste tijd op de juiste plek terecht. Ze konden ’s avonds naast elkaar op de bank zitten en in tien minuten de komende drie dagen doornemen. Praktisch gezien was dat best intiem. Je moet iemand behoorlijk goed kennen om zonder volledige zinnen te begrijpen wat ‘vrijdag lukt dus niet vanwege dat ding van jouw moeder’ betekent.
Ergens onderweg waren hun gesprekken steeds meer zo gaan klinken.
Ze sliepen iedere nacht in hetzelfde bed en konden elkaar overdag vooral berichten sturen over boodschappen, kinderen en tijden. Als er ’s avonds eindelijk rust was, pakte de één een telefoon en keek de ander nog iets op een laptop. Soms begonnen ze aan een gesprek en kwamen ze niet veel verder dan wat er morgen moest gebeuren. Vaak waren ze gewoon moe.
Zij vertelde tijdens een van onze eerste gesprekken dat ze hem soms aankeek en dacht dat ze eigenlijk vooral wist wat hij die week moest doen. Ze kende zijn agenda, wist wanneer hij een belangrijke afspraak had en kon waarschijnlijk zonder moeite vertellen waar hij donderdagmiddag was. Ze wist minder goed waar hij de laatste tijd enthousiast van werd, waar hij over piekerde of waar hij naar verlangde.
Hij keek naar haar terwijl ze dat vertelde. Daarna zei hij dat hij haar ook miste, al vond hij dat zelf een vreemde formulering voor iemand die iedere avond naast hem lag.
We gingen terug naar hun gewone avonden. Hoe ging dat dan? Wie kwam wanneer thuis? Wat gebeurde er tijdens het eten? Wanneer hadden ze voor het eerst werkelijk aandacht voor elkaar? Soms bleek het antwoord: in bed. En daar lag meestal ook nog een telefoon tussen.
Ze konden daar zelf om lachen. Ze waren ooit verliefd geworden op elkaar en hadden inmiddels een groot deel van hun gezamenlijke communicatie teruggebracht tot een buitengewoon efficiënt systeem voor gezinsmanagement.
Ik vroeg ze ook wat er gebeurde wanneer één van hen wél iets probeerde te vertellen. Hij kon bijvoorbeeld beginnen over iets wat hem bezighield terwijl zij nog bezig was met een kind, de keuken of iets voor de volgende dag. Zij luisterde half en stelde een praktische vraag. Hij hoorde daarin weinig belangstelling en liet het onderwerp weer vallen. Later op de avond voelde zij dat hij afstandelijk was en had geen idee waar dat vandaan kwam. Tegen die tijd had hij zelf vaak al besloten dat het blijkbaar toch niet zo belangrijk was.
Bij haar gebeurde iets vergelijkbaars. Zij kon lang doorgaan en pas laat merken hoe moe ze eigenlijk was. Wanneer ze eindelijk ging zitten, wilde ze soms vooral even niets. Hij kon juist op dat moment behoefte krijgen aan contact. Zijn vraag ‘gaat het?’ voelde dan al snel als het begin van nóg iets waar ze aandacht aan moest geven. Ze zei dat het prima ging en pakte haar telefoon.
In de gesprekken liet ik ze zulke momenten soms heel precies terughalen. Wat zei jij? Waar keek je naar? Wat hoorde jij in haar antwoord? Wanneer besloot je niets meer te zeggen? Dan bleek er vaak veel te gebeuren in een paar minuten waarin thuis ogenschijnlijk nauwelijks iets was gebeurd.
Ze begonnen ook weer vragen aan elkaar te stellen waarvan het antwoord niet in de gezinsagenda stond. Soms ging dat verrassend gemakkelijk. Soms ontdekten ze dat ze werkelijk niet wisten wat de ander zou antwoorden. Ze maakten af en toe tijd samen en merkten dat een avond zonder kinderen niet automatisch betekende dat je elkaar ook meteen weer gevonden had. De eerste keer kun je na het voorgerecht nog steeds uitgebreid over de kinderen praten.
Langzamerhand kwam er meer van hen beiden terug in hun eigen gesprekken. Hij vertelde iets voordat hij al had besloten dat ze toch te moe zou zijn om te luisteren. Zij kon zeggen dat ze op dat moment leeg was en later zelf terugkomen op wat hij had willen vertellen. Ze maakten weer plannen waar geen kind, schoolrooster of familieverplichting de aanleiding voor was. Soms gingen ze uit. Soms zaten ze thuis. Het bijzondere zat minder in wat ze deden en meer in het feit dat ze elkaar daar weer tegenkwamen.
Ook lichamelijk veranderde er iets. Aandacht en aanraking hoefden minder vaak te verschijnen aan het einde van een dag waarop alles en iedereen al aan de beurt was geweest. Er kwam weer wat speelsheid terug, juist doordat niet ieder moment samen meteen iets hoefde op te leveren.
Hun leven bleef druk. De kinderen bleven op onhandige momenten iets nodig hebben en de agenda bleef een document van groot gezamenlijk belang. Ze werden ook geen stel dat iedere avond urenlang bij kaarslicht de eigen binnenwereld besprak. Ze vonden wel vaker de weg terug naar gesprekken die nergens voor nodig waren.
Op een avond waren ze samen uit eten geweest. Toen ik de volgende keer vroeg hoe het was geweest, zei zij dat ze pas op weg naar huis ontdekte dat ze de hele avond nauwelijks over de kinderen hadden gesproken.
Hij keek haar aan.
‘Bij het hoofdgerecht even.’
Ze begon te lachen. ‘O ja. Bij het hoofdgerecht even.’
En kennelijk was dat voor twee ouders met jonge kinderen al een behoorlijk goed begin.
“Ik zag ons huwelijk langzaam verdwijnen… en hij leek het niet te zien.”
We leerden ons negatieve patroon herkennen en vonden elkaar weer terug.
Petra & Herman, Den Haag


















