Wanneer je leven doorgaat terwijl jij jezelf steeds minder voelt
Over jezelf kwijtraken, weinig meer voelen en de vraag wat je eigenlijk nog raakt
Aan zijn leven was weinig te zien waarvan je zou denken: daar gaat het mis. Hij had werk dat bij hem paste, mensen om zich heen, afspraken in zijn agenda en dagen die zich behoorlijk vanzelf aan elkaar regen. Hij stond op, ging aan het werk, sprak mensen, regelde wat geregeld moest worden en kon op de vraag hoe het ging zonder veel moeite antwoorden dat het goed ging. Dat was ergens ook zo. Er was alleen steeds minder waarvan hij dacht: hier heb ik zin in. Of: dit raakt me. Of zelfs: dit wil ik eigenlijk helemaal niet.
Hij kon vertellen over dingen die waren gebeurd alsof hij verslag deed van zijn eigen leven. Een drukke week, een ontmoeting, iets op zijn werk, een avond met anderen. Hij wist wat hij ervan vond en kon er goed over nadenken. Wanneer ik vroeg wat hij op zo’n moment had gevoeld, werd het moeilijker. Dan viel hij stil, zocht naar woorden en kwam soms weer terug bij wat hij ervan dácht. Het verschil leek hem aanvankelijk nauwelijks op te vallen.
Misschien hoorde dit gewoon bij ouder worden, vroeg hij zich af. Een leven wordt nu eenmaal gewoner. Je kunt toch ook niet voortdurend enthousiast, geraakt of vol verlangen rondlopen. Hij had genoeg om tevreden over te zijn en vond dat zelf eigenlijk ook. Juist dat maakte het verwarrend. Hoe leg je uit dat er weinig mis is met je leven en dat je er toch steeds minder in aanwezig lijkt te zijn?
Soms zaten we een tijdje zonder dat hij antwoord gaf. Niet omdat hij het antwoord niet wilde geven; hij leek het werkelijk niet te kunnen vinden. Wanneer ik hem vroeg even niet uit te leggen en alleen te merken wat er gebeurde, kwam er aanvankelijk vaak weinig. Een schouder die hij optrok. Een lange uitademing. Ik weet het niet. En dan, soms na een stilte, irritatie over iets kleins waar hij zichzelf kinderachtig in vond. Of ontroering bij een herinnering die hij kennelijk niet had zien aankomen. Als hij vervolgens meteen begon uit te leggen waar die ontroering vandaan kwam, vroeg ik hem soms om daar nog even mee te wachten. Eerst maar eens voelen wat er gebeurde voordat hij het weer begreep. Zulke momenten duurden soms maar even voordat hij alweer begon te begrijpen waarom hij zich zo voelde.
Dat begrijpen kon hij goed. Doorgaan ook. Als iets ingewikkeld werd, hielp het hem om overzicht te maken, erover na te denken en te doen wat nodig was. Dat had hem ver gebracht. Alleen bleek diezelfde manier van leven weinig onderscheid te maken tussen gevoelens waar je last van hebt en gevoelens die het leven juist kleur geven. Wie lang genoeg probeert niet te veel geraakt te worden door het ene, kan op een dag merken dat ook het andere minder binnenkomt.
Daar hoefden geen grote doorbraken tegenover te staan. Soms vertelde hij dat hij ergens onverwacht naar had uitgekeken. Een andere keer bleef hij langer hangen bij iets wat hem had geïrriteerd, zonder het onmiddellijk redelijk te maken. Hij begon vaker te merken wanneer hij ergens ja op zei terwijl hij eigenlijk geen zin had, of wanneer hij na een gesprek naar huis ging met het vage gevoel dat hij zichzelf er opnieuw een beetje buiten had gehouden. Kleine dingen, die eerder waarschijnlijk gewoon waren verdwenen in de rest van de dag.
Ook keuzes die jarenlang vanzelfsprekend hadden geleken, werden daardoor minder vanzelfsprekend. Niet omdat zijn hele leven ineens anders moest. Hij stelde zichzelf alleen vaker een vraag die lange tijd nauwelijks aan bod was gekomen: wil ík dit eigenlijk? Soms was het antwoord ja. Soms wist hij het niet. En soms merkte hij tot zijn eigen verbazing dat het antwoord al vrij duidelijk was voordat hij er uitgebreid over had kunnen nadenken.
Zijn werk was er nog. De mensen om hem heen ook. Zijn agenda werd niet ineens leeg en zijn leven kreeg geen spectaculaire nieuwe richting. Het verschil zat op veel kleinere plekken. Ergens zin in hebben en dat merken. Geïrriteerd raken en het niet meteen wegredeneren. Iemand missen. Ontroerd zijn. Nee willen zeggen. Op een gewone dag opeens merken dat je ergens naar uitkijkt.
Misschien was dat wel het vreemdste aan wat hem was overkomen: zijn leven was al die tijd gewoon doorgegaan. Alleen begon hij er zelf weer wat vaker in voor te komen.
“Ik voelde me steeds minder mezelf.”
Door de gesprekken heb ik weer contact gekregen met wat voor mij belangrijk is.
Anoeschka (48), leidinggevende binnen de publieke sector


















