Hij miste haar terwijl ze naast hem zat
Over samen een leven hebben en elkaar daarin steeds minder tegenkomen
Ze hadden samen drie kinderen, twee veeleisende beroepen en een leven waarin op een gemiddelde dag behoorlijk wat geregeld moest worden. Zij was huisarts en ondernemer. Haar telefoon ging vaak, mensen hadden vragen, patiënten hadden haar nodig en thuis hield het beroep dat anderen op haar deden vanzelfsprekend niet op. Hij was architect, bedachtzamer, gevoelig voor sfeer en iemand die een gesprek nog een tijdje met zich mee kon dragen nadat het voor een ander allang voorbij was.
Er was geen affaire geweest, niemand had zijn koffers gepakt en ze maakten ook niet voortdurend ruzie. Ze konden samen eten, een verjaardag organiseren, bespreken wie een kind waarheen bracht en ’s avonds naast elkaar op de bank zitten. Juist daardoor was het lastig uit te leggen waarom hij zich steeds vaker alleen voelde in hun relatie.
Hij vertelde over de avonden thuis. Aan tafel ging het over de kinderen, school, afspraken en wat er de volgende dag moest gebeuren. Als hij iets vertelde wat hem bezighield, kon zij luisteren en ondertussen ook nog even iets opruimen, reageren op een bericht of in haar hoofd alweer bij het volgende zijn. Wanneer de kinderen eindelijk boven waren, kwam er nog administratie, werk of iets wat die dag was blijven liggen. Hij bleef soms zitten met een tijdschrift of een glas wijn en wachtte op een moment waarop ze weer even met z’n tweeën zouden zijn.
Dat wachten was zij zich veel minder bewust.
Wanneer hij zei dat hij haar miste, hoorde zij daar soms bijna een extra taak in. Alsof er na patiënten, kinderen, werk, familie en alles wat nog geregeld moest worden ook nog ergens op de lijst stond: aandacht voor echtgenoot. Tegen de tijd dat het huis rustig werd, verlangde zij regelmatig vooral naar niemand die nog iets van haar nodig had. En precies op dat moment zat naast haar iemand die iets van haar nodig had.
Dat kon bijna niet ongelukkiger samenvallen.
Hij probeerde haar uit te leggen dat hij geen groot gebaar verlangde. Hij wilde haar weer spreken zoals ze vroeger spraken, het gevoel hebben dat ze nieuwsgierig naar hem was, merken dat zij hem zag. Zij hoorde hoeveel hij miste en voelde tegelijk hoeveel ze al gaf. Hoe meer hij probeerde duidelijk te maken dat het hem om verbinding ging, hoe makkelijker zij kon horen dat ze ook hierin tekortschiet. En hoe meer zij uitlegde hoe moe ze was, hoe meer hij dacht: zie je wel, voor mij is er niets meer over.
Ze waren allebei goed met woorden. Dat maakte hun gesprekken niet automatisch eenvoudiger. Hij kon lang uitleggen wat er tussen hen gebeurde en zij kon heel begrijpelijk uiteenzetten waarom haar dagen eruitzagen zoals ze eruitzagen. Soms zaten er twee redelijke verhalen tegenover elkaar waar weinig op af te dingen viel, en waren ze na afloop allebei nog precies even alleen.
Ook in de kamer zag ik het soms gebeuren. Hij begon iets te vertellen en keek naar haar om te zien of het aankwam. Zij luisterde, gaf antwoord en kon vrij snel terechtkomen bij wat er volgens haar praktisch meespeelde. Hij ging dan meer woorden gebruiken. Nog iets preciezer uitleggen. Nog een voorbeeld. Zij werd stiller of vermoeider. Soms stopte ik hem daar en vroeg ik haar wat er gebeurde terwijl hij zo zijn best deed om haar te bereiken. En hem vervolgens wat er met hem gebeurde zodra hij zag dat zij stiller werd. Hoe harder hij probeerde haar te bereiken, hoe minder ruimte zij leek te voelen om uit zichzelf naar hem toe te komen.
En toch was er veel vertrouwdheid tussen hen. Ze konden om dezelfde dingen lachen. Ze kenden elkaars eigenaardigheden en verhalen, wisten wat de ander lekker vond en wie ’s nachts wakker lag van welk kind. Soms hoefde één van hen maar een halve zin te zeggen en wist de ander al hoe het verhaal verderging. Alleen was die vanzelfsprekendheid ook een plek geworden waarin je gemakkelijk kunt vergeten nog iets te vragen waarvan je denkt het antwoord al te kennen.
De kinderen hadden ondertussen hun eigen weg gevonden in het gezin. Ze wisten bij wie ze voor wat moesten zijn, wie meestal beschikbaar was en bij wie je nog even kon binnenlopen. Zulke dingen ontstaan zonder gezinsvergadering. Op een gegeven moment merkte hij dat hij zich ook daarin soms aan de rand voelde staan. Zij zag een gezin waarin iedereen voortdurend iets van haar vroeg. Hij zag hetzelfde gezin en vroeg zich af waar zijn plek eigenlijk was gebleven.
In de gesprekken gingen we vaak terug naar heel kleine momenten. Niet naar hoe is jullie relatie?, want daar kun je een avond mee vullen. Wel naar gisteravond. Jij kwam thuis, en toen? Waar zat zij? Wat zei jij? Wanneer merkte je dat je afhaakte? Wat deed je toen?
Daar konden verrassend gewone dingen uitkomen. Hij die iets wilde vertellen en eerst maar wachtte tot zij klaar was met haar telefoon. Zij die eindelijk ging zitten en aan zijn eerste vraag al hoorde dat er een gesprek aankwam waar ze op dat moment geen energie voor had. Hij die haar terugtrekken zag en dacht dat hij blijkbaar weer te veel vroeg. Zij die zijn teleurstelling zag en dacht: ik kan het ook nooit goed doen. En vervolgens twee mensen die nog steeds naast elkaar zaten en allebei minder zeiden dan vijf minuten daarvoor.
Gaandeweg kwamen er ook andere momenten de kamer binnen. Een gesprek dat wél goed was gegaan. Iets wat zij hem uit zichzelf had gevraagd. Een avond waarop hij niet had gewacht tot zij zou raden dat hij haar nodig had. Zij kon soms eerder zeggen dat ze leeg was zonder hem daarmee buiten te sluiten. Hij kon beter merken wanneer zijn verlangen naar haar veranderde in wachten, teleurstelling en uiteindelijk afstand.
Hun leven werd er niet ineens minder druk van. Er bleven drie kinderen, patiënten, werk, agenda’s en avonden waarop één van beiden gewoon te moe was voor een goed gesprek. Ze hoefden ook niet iedere avond tegenover elkaar te gaan zitten om hun relatie te bespreken -waarschijnlijk was dat voor geen van beiden een aantrekkelijk vooruitzicht.
Wat wel terugkwam, waren momenten waarop ze elkaar weer opmerkten zonder dat daar eerst iets mis voor hoefde te gaan.
Soms zat hij ’s avonds nog steeds met een glas wijn naast haar op de bank. Alleen hoefde hij haar daar niet meer altijd te missen.
“We hielden van elkaar… maar voelden ons steeds verder uit elkaar staan.”
We kijken weer met meer zachtheid, begrip en humor naar elkaar.
Lodewijk (55) & Karen (51)


















